
Het hospice biedt ruimte aan mensen om in een huiselijke omgeving te sterven, wanneer dat thuis niet kan. Ze worden daarbij ondersteund en bijgestaan door familieleden, vrijwiligers, verpleegkundigen en anderen. Deze verzorgenden zijn samen met de bewoners de belangrijkste gebruikers van het hospice. Het architectonische thema in ons ontwerp is dan ook ‘intertwining’: het verstrengelen, samenvlechten van deze twee groepen.
Een deel van het landschap wordt afgebakend met een muur waardoor een besloten binnentuin ontstaat, de verbeelding van de tuin van Eden. Het is de laatste verblijfsplek van de gasten/clienten. Door deze tuin wordt een tweede volume ‘gevlochten’. Dit zijn de ruimtes voor de familie en vrijwilligers. De ruimtelijke vervlechting van deze twee volumes zorgt voor een dynamische routing met steeds nieuwe zichtlijnen. Uitbreiding van het aantal gastenkamers is bij deze opbouw eenvoudig te realiseren.
De verhouding van de mens tot zijn leefwereld en daarmee samenhangend ruimtelijk concept is drieledig.
>De beslotenheid van de cella heeft de mens nodig om thuis te kunnen zijn, zich beschermd te voelen: de besloten positionering van het bed.
>Het hof is noodzakelijk voor de behoefte van de mens aan beweging: de zone in de kamer die zich opent naar de tuin.
>De open ruimte van het domein heeft de mens nodig om afstand te kunnen nemen: het weg kunnen kijken richting het landschap.
Het hospice moet ruimte geven aan intimiteit, vredigheid en stilte. De gasten moeten zich veilig, verbonden en stabiel kunnen. De materialen hebben daarom een relatie met de natuur, en de kleuren spreken de zintuigen aan.